De Vlaamse overheid heeft de wetgeving rond de afvalwater- en grondwaterheffing gewijzigd in het Programmadecreet van eind 2009. We geven een overzicht van de belangrijkste wijzigingen.
Omdat het aantal wijzigingen vrij groot is, hebben we het overzicht zo gestructureerd mogelijk gemaakt. Aan de hand van de titels kunt u die onderdelen lezen die relevant zijn voor uw bedrijf.
Overgang van lozingssituatie
Wanneer een bedrijf overgaat van een lozing op riool naar een lozing op oppervlaktewater en gebruikmaakt van metingen om de heffing te bepalen, dan wordt de debietsspecifieke term “a” van 0,2 naar 0 aangepast (of omgekeerd).
In het programmadecreet wordt verduidelijkt onder welke voorwaarden die wijziging doorgevoerd wordt. De wijziging van de a-factor gaat in vanaf de maand volgend op de maand waarin de lozingssituatie en/of vergunningstoestand volgens de vergunning van kracht wordt.
Als de feitelijke lozingssituatie niet overeenstemt met de vergunningstoestand wordt de a- factor gewijzigd vanaf de maand die volgt op de maand waarin de feitelijke situatie aan de vergunning is aangepast.
U moet als heffingsplichtige de wijziging melden met een aangetekende brief aanhet afdelingshoofd van de maatschappij bevoegd voor de vestiging, inning en invordering van de heffing, of de door hem gedelegeerde ambtenaar. Dat moet minstens één maand voor de wijziging gebeuren.
Bij een gevoelige wijziging van de vuilvracht is de situatie op het ogenblik van de monstername van toepassing. In geval van gevoelige daling van de vuilvracht kunt u ook een opsplitsing van de heffing bekomen. Daarvoor moeten er wel metingen van de nieuwe gereduceerde vuilvracht beschikbaar zijn.
Waterbalans – koelwater – opgenomen oppervlaktewater
De waterbalans voor het vaststellen van de jaarlijkse hoeveelheid geloosd afvalwater wordt verstrengd op 2 manieren.
In de eerste plaats is er de hoeveelheid geloosd koelwater. De overheid gaat er vanuit dat de hoeveelheid geloosd koelwater gelijk is aan de vergunde hoeveelheid, tenzij de heffingsplichtige aantoont dat dat niet zo is.
In de praktijk werd vastgesteld dat het verschil tussen de vergunde en de geloosde hoeveelheid koelwater “opgevuld” werd met een hoeveelheid bedrijfsafvalwater om zo de jaarhoeveelheid afvalwater te beperken. De overheid krijgt nu de mogelijkheid om te bewijzen dat er minder koelwater geloosd werd dan er vergund werd.
Opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater
Het jaarlijks volume aan geloosd afvalwater speelt uiteraard een belangrijke rol in de heffing. Bij opname van oppervlaktewater zijn de volgende situaties mogelijk:
- Als de hoeveelheid opgenomen water gemeten wordt, stelt er zich geen probleem. De tellerstanden worden gebruikt in de waterbalans.
- Voor captaties uit bevaarbare waterlopen hoger dan 500 m3/jaar kan de berekeningsmethode van de captatieheffing gebruikt worden, bijvoorbeeld een vermenigvuldiging van de pompcapaciteit met een aantal draaiuren.
- In geval van captaties uit onbevaarbare waterlopen of captaties uit bevaarbare waterlopen lager dan 500 m3/jaar wordt de hoeveelheid opgenomen water berekend aan de hand van de pompcapaciteit en een benuttigingsfactor. Als het resultaat hoger was dan 500 m3/jaar, dan werd dat verbruik afgetopt tot 500 m3/jaar. Die aftopping verdwijnt nu, omdat er vastgesteld werd dat in een aantal gevallen veel meer water opgenomen wordt dan in de praktijk aangegeven. Bedrijven die daardoor getroffen worden, zouden best overstappen op reële metingen, zodat ze dan een kleinere hoeveelheid geloosd water kunnen aantonen.
Onvergunde lozingen: steeds hoogste tarief
Indien de VMM een onvergunde lozing vaststelde, werd vroeger automatisch overgegaan tot een aanslag op basis van de omzettingscoëfficiënten. Vanaf nu is steeds de hoogste heffing van toepassing.
Met andere woorden: indien een berekening op basis van de uitgebreide formule zou leiden tot een hogere heffing dan de omzettingscoëfficiënten, dan zal die ook gebruikt worden. Ook wordt in geval van niet vergunde lozing automatisch het eenheidstarief voor rioollozers toegepast.
Navorderingstermijnen aangepast
Wanneer er niet-vergunde lozingen vastgesteld werden, dan had de VMM tot nog toe 3 jaar de tijd om die heffingen na te vorderen. Die termijn wordt nu verlengd tot 5 jaar.
Bovendien wordt in de dossiersamenstelling “op straffe van nietigheid” geschrapt, wat de kans op administratieve fouten verkleind, maar ook de beroepsmogelijkheden voor de betrokkenen verkleint.
Grondwaterwinning – uitbreiding debietmeting
Elke grondwaterwinning en/of grondwaterwinningseenheid waarvan de exploitatie overeenkomstig het artikel 28ter aan de heffing is onderworpen en elke conform het decreet betreffende de milieuvergunning d.d. 28 juni 1985 vergunde of gemelde grondwaterwinning moet vanaf 1/1/2010 uitgerust zijn met een debietmeting en registratie van de opgepompte hoeveelheid grondwater.
De enige 2 uitzonderingen hierop zijn dan nog:
• Grondwaterwinning waarvoor uitsluitend een handpomp gebruikt wordt
• Grondwaterwinning van minder dan 500 m3/jaar uitsluitend voor huishoudelijke doelen
Grondwaterwinning – geprogrammeerde stijging van de laagfactoren
Als gevolg daarvan zal de grondwaterheffing voor de lagen met aangepaste factoren stijgen van 9% dit jaar tot 150% de volgende jaren. Nemen we als voorbeeld de depressietrechter in Waregem. De laagfactor bedroeg 2. Vanaf dit jaar zal die jaarlijks stijgen met 0,375 om uiteindelijk in 2017 een laagfactor 5 te hebben.
Nullozerstatuut – eisen worden aangepast
Het nullozerstatuut kan bekomen worden indien een totale niet-lozing van afvalwater uit het productieproces is op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar. Het bedrijf wordt dan vrijgesteld van de heffing voorzover geen sanitair afvalwater en/of koelwater geloosd wordt.
Als er sanitair afvalwater en/of koelwater geloosd wordt, wordt enkel op het sanitair waterverbruik en/of koelwater een heffing gevestigd. De voorwaarde daarvoor is op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar niet te beschikken over een milieu- of lozingsvergunning voor industrieel afvalwater.
De belangrijkste wijziging is dat elke heffingsplichtige die van bovenstaande regeling gebruik wenst te maken, een dossier moet indienen dat opgesteld is door een milieudeskundige in de discipline water vermeld in hoofdstuk 1.3. van titel II van het Vlarem. Elk ander bewijs van niet-lozing zal niet worden aanvaard door de Vlaamse Milieu Maatschappij.
Deze wijziging gaat in werking op 1 januari volgend op de inwerkingtreding van het vernieuwde luik erkenningen in het milieuvergunningendecreet.
Omdat er kwaliteitsproblemen waren werd ook de inhoud van het in te dienen dossier vastgelegd. Dat dossier moet nu minimaal de volgende gegevens bevatten:
- een beschrijving van het productieproces met aanduiding van de verschillende waterstromen;
- een gedetailleerde waterbalans met vermelding van de verschillende waterbronnen, de aanwending en de afvoer van dat water;
- een beschrijving van de toegepaste technische maatregelen om tot de niet-lozing te komen (indien van toepassing);
- een beschrijving van noodplannen en noodvoorzieningen;
- een overzicht van de milieu- of lozingsvergunningen van de laatste tien jaar met afzonderlijke vermelding van de nog geldende vergunningen waarover de heffingsplichtige beschikt;
- en de datum waarop de milieudeskundige zijn vaststellingen ter plaatse heeft gedaan.
De uiterste datum voor de vaststellingen van de niet-lozing is 1 januari van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar. Uiterlijk één maand voordat de vaststellingen ter plaatse door de milieudeskundige gebeuren, moet het afdelingshoofd van VMM Heffingen of de gedelegeerde ambtenaar schriftelijk, per e-mail of per fax op de hoogte gebracht worden van bezoek.
Als de milieudeskundige erom wordt verzocht, moet hij alle relevante informatie ter beschikking geven van de VMM en hen de mogelijkheid geven deel te nemen aan het plaatsbezoek.
Alle vermeldingen en bepalingen gelden op straffe van nietigheid; het is dus zeer belangrijk de procedure te volgen! Het opgemaakt dossier is geldig voor het jaar zelf en de 9 daaropvolgende heffingsjaren. Het statuut van nullozer kan worden verlengd voor opeenvolgende periodes van tien jaar.
Auteur : Marc Van den Bosch - Voka-kenniscentrum
Bron : milieu@voka 9 - februari 2010