filter op onderwerp

filter op regio

zoek naar:  

Nieuws

16jan
12
 Groen licht voor conceptnota permanente milieuvergunning

De Vlaamse regering heeft 2 conceptnota's goedgekeurd, over de invoering van de omgevingsvergunning en de permanente milieuvergunning. Voka is tevreden met die keuzes.

 

Hieronder volgt toelichting over de uitwerking van de permanente milieuvergunning. Gemakkelijkheidhalve spreek ik hier nog van een milieuvergunning hoewel deze benaming binnenkort zal verdwijnen en opgenomen zal worden in het begrip ‘omgevingsvergunning’.


Tegen 30 januari 2012 moeten de geconsulteerde instanties (VVSG, de VVP, de Minaraad en de SERV) hun advies op de conceptnota verlenen. Na verwerking van hun opmerkingen en aanbevelingen zal de conceptnota normaliter tegen einde maart 2012 opnieuw ter bespreking worden voorgelegd aan de Vlaamse Regering met het oog op de opmaak van een ontwerp van kaderdecreet tot invoering van de permanente milieuvergunning.


Afschaffing vervaltermijn in milieuvergunning

Voka heeft steeds gepleit voor de afschaffing van de vervaltermijn in de milieuvergunning en is dan ook verheugd met het nieuws dat de Vlaamse Regering via de conceptnota het principe heeft goedgekeurd om de vergunning niet langer in tijd wordt beperkt. Europa verplicht ons ook niet om de milieuvergunning in tijd te beperken. Dat een permanente milieuvergunning niet ten koste moet gaan van de kwaliteit van ons (leef)milieu, bewijzen onze buurlanden die evenmin een beperking in tijd van hun milieuvergunningen kennen.
De mogelijkheid om de vergunningstermijn in de tijd te beperken, blijft wel bestaan, bv. omdat een bedrijf een bepaalde tijd krijgt om na een aantal jaar te herlocaliseren, de inrichting een tijdelijk karakter heeft, een proefvergunning noodzakelijk is, … Wel zal in de vergunningsbeslissing gemotiveerd moeten worden waarom wordt afgeweken van het algemeen beginsel dat een vergunning voor onbepaalde duur wordt verleend.


Gerichte periodieke evaluaties

Uit onderzoek in Vlaanderen blijkt dat voor klasse 1 inrichtingen over een volledige exploitatietermijn van 20 jaar beschouwd, behoudens de initiële vergunningsbeslissing en de beslissing tot hervergunning, door de vergunningverlenende overheid bijna 6 keer bijkomend een beslissing over de exploitatie wordt genomen. Deze beslissingen hebben in hoofdzaak betrekking op de verandering van de inrichting en in zeer beperkte mate op een wijziging van de vergunningsvoorwaarden. Zodoende worden vergunningen gemiddeld bijna 6 keer onderworpen aan een tussentijdse evaluatie. Omdat een beperkt aantal bedrijven tijdens de looptijd van hun vergunning geen enkele wijziging of uitbreiding doet, acht men het noodzakelijk dat de overheid de afwezigheid van de evaluatie van de exploitatie opvangt door het uitvoeren van gerichte periodieke evaluaties.
De conceptnota geeft aan, om mensen en middelen efficiënt in te zetten, dat de overheid voor de organisatie van deze periodieke evaluaties prioriteiten zal leggen en de periodiciteit van de evaluatiemomenten zal bepalen in functie van actuele omstandigheden of inzichten op vlak van hinder- en risicovoorkoming. Zo wordt rekening gehouden met de aard en locatie van de bedrijven maar ook met de klachtenhistoriek van een bedrijf. In het algemeen wordt gesteld dat een klasse 1 bedrijf om de 5 tot 7 jaar en een klasse 2 bedrijf om de 10 tot 15 jaar zal moeten geëvalueerd. Afhankelijk van de aard van de inrichtingen, bedrijfs- of sectorspecifieke elementen, al dan niet BBT-gerelateerd, kan een bepaalde fase in deze periodiciteit versneld worden.

Indien nodig of opportuun kunnen de vergunningverlenende overheden vergunningsvoorwaarden voor een bedrijf actualiseren. Dat kan ambtshalve of op verzoek van publiek of adviesinstanties en dit naar aanleiding van controle of periodieke evaluaties (analoog met huidig artikel 45 van Vlarem I).

Het bovenstaande impliceert wel dat de monitoring van de afgeleverde vergunningen versterkt wordt. De werk- en bewijslast omtrent naleven van de milieuregelgeving zal niet volledig bij de overheid worden gelegd. Daarom zal in het komende decreet worden bepaald dat ter gelegenheid van de periodieke evaluatie de exploitant, via een milieuzorgsysteem, rapporten of verslagen van erkende personen of milieucoördinatoren, informatie dient bij te brengen over het feit dat de exploitatie conform de geldende milieuvoorwaarden en de geactualiseerde BBT gebeurt en tevens rekening houdt met de milieukwaliteitsnormen en vigerende Vlaamse beleidsplannen. Voor bedrijven die nu reeds verplicht beroep doen op een veiligheids- en/of milieucoördinator zal een dergelijke informatieplicht geen noemenswaardige extra last betekenen. Waakzaamheid is echter geboden opdat geen overdreven lasten en kosten worden opgelegd aan andere, meestal kleinere bedrijven. Voka ijvert dat deze lasten steeds billijk en proportioneel blijven.


Openbaar onderzoek

Het is de bedoeling, aldus de conceptnota, dat alle vergunningsaanvragen voor niet kleine veranderingen van de ingedeelde inrichtingen onderworpen worden aan een openbaar onderzoek. Dit zal het geval zijn wanneer een aanvraag de inrichting in een hogere klasse indeelt, een bijkomende risico of hinder inhoudt, een toevoeging betekent, of de exploitatie een nieuwe vergunningsplichtige inrichting betreft binnen een milieutechnische eenheid.

Opgemerkt wordt dat in de conceptnota met betrekking tot invoering van de omgevingsvergunning de Vlaamse Regering aangeeft dat zij wil gaan voor verdere verfijning van begrippen als inrichting en “ingedeelde” inrichting en waar mogelijk de lijst wenst te vereenvoudigen. Deze verfijning kan mogelijk invloed hebben op de verplichting tot organisatie van een openbaar onderzoek bij aanvragen tot verandering van een ingedeelde inrichting vermits het toepassingsgebied van kleine veranderingen groter kan worden.

Zodra een aanvraag onder de noemer van kleine veranderingen valt, zal de aanvraag behandeld worden via het mechanisme van de mededeling kleine verandering, na een verkorte procedure en zonder openbaar onderzoek, maar met raadpleging van adviesverlenende instanties.


Gecoördineerde vergunning

In plaats van een opeenvolging van vergunningsbeslissingen moet de permanente milieuvergunning een aanzet geven tot een systeem van een gecoördineerde vergunning. Dit biedt het voordeel dat er steeds een duidelijk en transparant overzicht bestaat van de vergunningssituatie en dat men niet meer genoodzaakt wordt om meerdere vergunningsbeslissingen naast elkaar moet leggen om een totaalbeeld te krijgen.

 

Overgangsbepaling

Alleen de bestaande VLAREM-vergunningen die voor de maximumtermijn van 20 jaar zijn verleend, komen in aanmerking voor omzetten naar vergunningen met onbeperkte tijd. Gedacht wordt om in een eerste fase een automatische omzetting van een beperkte vergunningstermijn naar een onbeperkte vergunningstermijn voor te behouden voor inrichtingen waarvan de lopende basisvergunning voor 20 jaar verleend werd in de periode van 5 jaar voorafgaand de inwerkingtreding van het omgevingsvergunningsdecreet. Nadien kan in verschillende fases, na evaluatie van de volledige exploitatie en eventueel aanpassing van de milieuvoorwaarden, ook worden gedacht om andere VLAREM-vergunningen met een vergunningstermijn van 20 jaar om te zetten naar een vergunning van onbeperkte duur.

 

Slotbeschouwing

Zoals het persbericht van de Vlaamse Regering luidt, moet de permanente vergunning de bedrijven meer rechtszekerheid bieden en bovendien kosten besparen, doordat de administratieve last van een hervergunning komt te vervallen. Bij bestaande bedrijven waarvan de mogelijke milieu-impact al in kaart is gebracht n.a.v. de oorspronkelijke vergunningverlening volstaat het immers om de vergunningsvoorwaarden aan te passen aan nieuwe kennis, technologische vooruitgang of gewijzigde omgevingsfactoren.

 

Auteur : Steven Betz, adviseur milieu & ruimtelijke ordening
Bron : milieu@voka 24 - januari 2012

terug