Handelsvertegenwoordigers kunnen na ontslag onder sommige omstandigheden een uitwinningsvergoeding krijgen voor het cliënteel dat hij heeft aangebracht. Maar is dat ook nog zo als die vertegenwoordiger met brugpensioen gaat?
Wat gebeurd is
Een werknemer tewerkgesteld met een arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordigers gesloten voor onbepaalde duur, ontvangt een aangetekende opzeggingsbrief waarmee zijn werkgever eenzijdig een einde stelt aan de arbeidsovereenkomst met een opzeggingstermijn van elf maanden.
Na afloop van die opzeggingstermijn meent de betrokken werknemer dat hij nog recht heeft op een uitwinningsvergoeding.
Uitwinningsvergoeding?
Een uitwinningsvergoeding is een vergoeding verschuldigd aan een handelsvertegenwoordiger (met tenminste één jaar anciënniteit) die een cliënteel heeft aangebracht en wiens arbeidsovereenkomst wordt beëindigd door de werkgever zonder dringende reden of door de handelsvertegenwoordiger om een dringende reden. De werkgever is die vergoeding niet verschuldigd wanneer hij bewijst dat uit de beëindiging van de overeenkomst geen enkel nadeel volgt voor de handelsvertegenwoordiger.
In casu oordeelt de werkgever dat de betrokken werknemer-handelsvertegenwoordiger (hierna handelsvertegenwoordiger) geen recht heeft op een uitwinningsvergoeding. Aan de handelsvertegenwoordiger werd immers, na overleg en met zijn akkoord, brugpensioen toegekend en de handelsvertegenwoordiger ontvangt in het kader van dat brugpensioen een aanvullende vergoeding.
Volgens de werkgever volgt daaruit ontegensprekelijk dat uit de beëindiging van de overeenkomst geen nadeel volgt voor de handelsvertegenwoordiger (en hij dus geen recht heeft op een uitwinningsvergoeding), aangezien een werknemer die met brugpensioen gaat niet meer de bedoeling heeft om zijn cliënteel verder ten nutte te maken.
De handelsvertegenwoordiger is het daar niet mee eens en gaat over tot dagvaarding van zijn werkgever voor de arbeidsrechtbank.
Vordering afgewezen
De arbeidsrechtbank wijst de vordering van de handelsvertegenwoordiger af als ongegrond. Naar het oordeel van de arbeidsrechtbank heeft de handelsvertegenwoordiger geen recht op een uitwinningsvergoeding aangezien de werkgever afdoende bewijst dat uit de beëindiging van de arbeidsovereenkomst geen enkel nadeel volgt voor de handelsvertegenwoordiger. Volgens de arbeidsrechtbank toont de werkgever aan dat de handelsvertegenwoordiger niet van plan was het door hem opgebouwde cliënteel verder te valoriseren en dat hij elke beroepsactiviteit heeft gestaakt.
De arbeidsrechtbank baseert zich hiervoor op het feit dat een bespreking over het brugpensioen is voorafgegaan aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst alsook op een mailbericht en een aantal schriftelijke verklaringen van klanten waaruit blijkt dat de betrokken handelsvertegenwoordiger akkoord ging om het brugpensioen op te nemen.
De handelsvertegenwoordiger tekent hoger beroep aan tegen dit vonnis bij het arbeidshof.
Wat het arbeidshof besliste
Ook het arbeidshof is van oordeel dat de handelsvertegenwoordiger geen recht heeft op een uitwinningsvergoeding.
Het feit dat de handelsvertegenwoordiger sinds het einde van de arbeidsovereenkomst brugpensioen geniet, volstaat weliswaar niet om te besluiten dat hij geen nadeel heeft geleden uit de beëindiging van de arbeidsovereenkomst (en dus geen recht heeft op een uitwinningsvergoeding). Anders is het wanneer de handelsvertegenwoordiger, binnen een context van brugpensioen, vrijwillig heeft afgezien van het verder valoriseren van het aangebrachte cliënteel. Dit laatste moet beoordeeld worden op het ogenblik van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
Naar het oordeel van het arbeidshof bewijst de werkgever afdoende dat de handelsvertegenwoordiger:
- van meet af aan akkoord is gegaan met het brugpensioen,
- op het ogenblik van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, niet langer de intentie had om zijn cliënteel te valoriseren,
- ook geen initiatief heeft genomen om terug aan de slag te gaan als handelsvertegenwoordiger binnen het door hem aangebrachte cliënteel.
Volgens het arbeidshof blijkt daaruit dat de betrokken handelsvertegenwoordiger, binnen de context van het brugpensioen, van meet af aan heeft afgezien van een verdere tewerkstelling als handelsvertegenwoordiger en moet de vordering tot betaling van een uitwinningsvergoeding dan ook als ongegrond worden afgewezen.
Wat daaruit te leren valt
Uit het feit dat een handelsvertegenwoordiger sinds de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst brugpensioen geniet, kan op zich niet worden afgeleid dat hij geen recht heeft op een uitwinningsvergoeding. De werkgever die van oordeel is dat er voor de handelsvertegenwoordiger geen nadeel volgt uit de beëindiging van de arbeidsovereenkomst (en de handelsvertegenwoordiger dus geen recht heeft op een uitwinningsvergoeding), zal ook moeten bewijzen dat de handelsvertegenwoordiger op het ogenblik van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, niet langer de intentie had om zijn cliënteel te valoriseren.
Dat kan hij door aan te tonen dat de handelsvertegenwoordiger naar aanleiding van de opzegging van de arbeidsovereenkomst akkoord ging met brugpensioen en zelf geen initiatief meer heeft genomen om als handelsvertegenwoordiger aan de slag te gaan binnen het door hem aangebrachte cliënteel.
Ester Van Oostveldt, advocaat-vennoot Van Eeckhoutte, Taquet & Clesse
Ester.vanoostveldt@bellaw.be
Referentie: Arbh. Gent (afd. Gent) 13 oktober 2010, A.R. nr. 2009/AG/166
Bron : talent@voka 32 - oktober 2011