Wie van zijn werkgever een forfaitaire onkostenvergoeding krijgt, moet daar geen RSZ-bijdrage op betalen. Behalve wanneer de RSZ vermoedt dat de vergoeding buitensporig en dus 'loon' is. Maar wie draagt de bewijslast: de werkgever of de RSZ?
De overheid heeft nog maar eens aangetoond hoe slecht zij tegen haar verlies kan. De regels van het spel worden andermaal naar de hand van de overheid – in casu de RSZ – gezet.
De artikels 64 en 65 van de programmawet van 30 december 2009 (
meer info) bepalen dat voortaan de werkgever moet aantonen dat de onkostenvergoeding geen loon is. Met andere woorden: de werkgever moet de realiteit van de gemaakte kosten aantonen.
Geen RSZ-bijdrage...
Kosten zijn de uitgaven die de werknemer maakt om zijn werk naar behoren te kunnen doen. Volgens de wet moet de werkgever ervoor zorgen dat de werknemer al het nodige materiaal en hulpmiddelen heeft om zijn werk zoals dat van hem gevraagd wordt, uit te voeren.
Soms moet de werknemer echter zelf de kosten van die middelen voorschieten. Dat is bijvoorbeeld het geval als hij zich op eigen kosten moet verplaatsen voor het werk of uitgaven doet bij contacten met klanten.
Als de werkgever die kosten terugbetaalt, dan gaat het niet om loon maar om ‘terugbetaalde kosten’. Daar is geen RSZ-bijdrage op verschuldigd.
Om het vele administratieve werk dat gepaard gaat met het terugbetalen van kleine uitgaven (parkingtickets, openbaar vervoer…) te beperken, geven werkgevers aan de werknemers met dergelijke uitgaven nogal eens een forfaitair bedrag dat al die kleine kosten moet dekken.
...tenzij RSZ het bewijst
De RSZ ziet dat met lede ogen aan en eist van de werkgevers dat ze de werkelijkheid van de kosten achter die forfaitaire bedragen kunnen aantonen én ook de omvang van die kosten.
In een rechtsstaat geldt echter de regel dat wie iets vordert, moet aantonen dat hij daar ook recht op heeft. Niet de onschuld moet bewezen worden, maar de schuld.
In toepassing van dat principe bepaalde het Hof van Cassatie in een aantal recente arresten dat niet de werkgever moet bewijzen dat hij echte kosten (terug)betaalt en dat die uitgaven geen loon zijn, als de RSZ dat betwist. Het is in tegendeel aan de RSZ om te bewijzen dat kostenuitgaven echt loon zijn en geen kosten dekken.
De werkgever moet daarbij de RSZ wel helpen, door bijvoorbeeld alle nuttige documenten en stukken te verzamelen.
De feitenrechters volgen in hun vonnissen en arresten die rechtspraak van Cassatie. Ze gaan daarbij evenwichtig te werk. De werkgever mag niet zomaar met gekruiste armen afwachten met welke middelen de RSZ probeert aan te tonen (voor de rechter) dat bepaalde kosten eigenlijk loon zijn. De werkgever moet in dat onderzoek positief meewerken bij het aannemelijk maken van de realiteit van de kostenvergoedingen.
Overheid keert het om
Omdat de RSZ moeite heeft met die bewijzen, is er nu in de programmawet een bepaling opgenomen die net het tegenovergestelde poneert. Als de RSZ meent dat bepaalde kostenvergoedingen eigenlijk loon zijn en geen kosten dekken, dan is het aan de werkgever om te bewijzen dat het wel degelijk om kosten gaat. Een omkering van de bewijslast dus, in het nadeel van de werkgever.
En het zal blijkbaar ook de RSZ zelf zijn die oordeelt of de bewijsstukken die de werkgever aanlevert wel voldoende deugdelijk zijn. De RSZ kan daarbij volledig naar eigen goeddunken kosten aannemen of verwerpen.
Onwaardig
Die manier van handelen is onwaardig voor een democratische rechtsstaat. Het gaat niet alleen om een omkering van de bewijslast, om het aantonen van onschuld in plaats van schuld. Het gaat ook om het misprijzen voor de rechterlijke macht en van het principe van de scheiding der machten. Als de rechtspraak je als overheid niet bevalt, laat je maar een wet stemmen die je beter uitkomt.
Het gaat ook niet om een alleenstaand geval. Ook de arbeidsrelatiewet (tegen de schijnzelfstandigen) is een voorbeeld van hoe de overheid hinderlijke rechtspraak van het Hof van Cassatie wegvaagt. Hetzelfde geldt voor de saga van de berekening van intresten op het brutoloon.
Ook in grote politieke dossiers hoort men al eens losjesweg stellen dat er wel snel een wet kan gestemd worden om een wat weigerachtige gesprekspartner over de (financiële) brug te krijgen.
De rechtspraak is nog de enige echte autonome rechtsmacht die de correcte werking van de wettelijke principes bewaakt, niet uit eigen belang, maar in het algemeen belang.
Het gevaarlijkste van dit alles is dan wel nog de normvervaging die hier naar voor treedt. Niemand komt tegen deze houding in het verweer. Het wordt als de meest normale gang van zaken beschouwd.
En waar stopt dat dan?
Auteur : Koen Magerman, senior juridisch adviseur SD Worx
Bron : talent@voka 14 - januari 2010