Begripsverwarring maakt Vlaanderen ongewild een pak strenger dan Europa voor de aanvraag van een nieuwe milieuvergunning. Dit zegt milieuconsulente Laetitia Lemahieu van de Voka – Kamers van Koophandel Mechelen en Kempen.
Door de verstrengde wetgeving kunnen investeringsprojecten van bedrijven in het gedrang komen. Ook de provincies en gemeenten zitten ondertussen met de handen in het haar.
Vlaanderen weer strenger dan Europa
In mei 2006 besliste de Vlaamse regering om de procedures voor de aanvraag van een milieuvergunning te verstrengen. Zij had hiervoor geen andere keuze, omdat Europa dit in het kader van de Europese IPPC-richtlijn (Integrated Pollution Prevention Control) zo oplegde. Meer bepaald zou het in de toekomst minder makkelijk zijn om te kunnen gebruik maken van de verkorte milieuvergunningsprocedure ‘mededeling van kleine verandering’. In de plaats zou men dan de volledige milieuvergunningsprocedure moeten doorlopen, wat veel meer geld en tijd kost. Op zich was er met deze gang van zaken niet echt veel aan de hand. Een strikte omzetting van de EG-richtlijn zou immers enkel gevolgen hebben voor de IPPC-activiteiten (meestal verricht door grote industriële installaties). Ware het niet dat de Vlaamse administratie een nogal ‘brede’ interpretatie hanteert van de Europese richtlijn, waardoor de Vlaamse wetgeving plots een pak strenger wordt dan de Europese. Met name: de wetgeving is in Vlaanderen van toepassing op veel meer activiteiten dan Europa voor ogen heeft. Voor een aantal bedrijven heeft dit dan ook drastische gevolgen. Aangezien de wetgeving van kracht werd op 1 augustus jl. beginnen nu de eerste lijken uit de kast te vallen, wat niet alleen de ondernemers, maar ook de provincies en gemeenten in moeilijke papieren brengt.
Wat is er precies aan de hand? snelbericht vroeg dit aan Laetitia Lemahieu, milieuconsulente bij de Voka – Kamers van Koophandel van Mechelen en Kempen. “Oorspronkelijk was het zo dat wanneer een bedrijf zijn productieapparaat wilde uitbreiden of zijn opslagcapaciteit verhogen, er énkel een nieuwe milieuvergunning aangevraagd moest worden wanneer de uitbreiding hoger lag dan 50% van de reeds vergunde hoeveelheid. Als de uitbreiding minder was dan die 50%, volstond het om een vereenvoudigde melding ervan te doen aan de bevoegde instantie. Na de aanpassing van de wet wordt nu een bijkomend criterium gehanteerd dat zegt dat de uitbreiding niet meer dan ‘de onderliggende drempelwaarde’ mag bedragen om van de vereenvoudigde procedure gebruik te kunnen maken. En hier situeert zich een begripsverwarring. In Vlaanderen wordt ‘drempelwaarde’ traditioneel gezien als de waarden die bedrijven opdelen in klasse 1-, 2- of 3-bedrijven, een indeling die de mate van milieuhinder aangeeft. In Europa heeft het begrip ‘drempelwaarde’ enkel betrekking op de sterk milieuvervuilende bedrijven, die zogenaamde IPPC-activiteiten uitvoeren en die in Vlaanderen een subgroep vormen bij de klasse 1-bedrijven. Maar Vlaanderen koos voor de ruime interpretatie van het begrip drempelwaarde, waardoor ook bijvoorbeeld garagisten of schrijnwerkers met deze verstrenging geconfronteerd worden. Een bijkomend probleem is dan ook nog eens dat die drempelwaarden in Vlaanderen vrij laag liggen.”
De bredere interpretatie van het begrip drempelwaarde heeft als concreet gevolg dat bedrijven veel vaker dan vroeger een nieuwe milieuvergunning zullen moeten aanvragen. Lemahieu: “Een voorbeeld: een uitbreiding van een schrijnwerkerij (klasse 2-bedrijf) vergund voor 80 kW aan houtbewerkingsmachines, kon voor een uitbreiding tot 120 kW (+ 50%) gebruik maken van de verkorte procedure, met name een mededeling doen van kleine verandering. Momenteel kan dit bedrijf slechts uitbreiden tot 90 kW via de verkorte procedure daar de drempelwaarde van zijn klasse 10 kW bedraagt. Vanaf een uitbreiding met 11 kW moet dus de milieuvergunningsaanvraagprocedure gevolgd worden. Bij een mededeling moest een procedure doorlopen worden die ongeveer 60 dagen duurde, bij een aanvraag tot milieuvergunning duurt dat tot drie maanden voor klasse 2-bedrijven en tot vier maanden voor klasse 1-bedrijven.”
Een navraag bij een aantal bedrijven leert al gauw dat de wetswijziging in de praktijk inderdaad drastische gevolgen kan hebben. Bij Hyplast, bijvoorbeeld, die producent is van plastic folies, reageerde het management bijzonder verbaasd toen zij op 1 september van de provincie Antwerpen een brief kregen dat hun aanvraag voor een milieuvergunning afgewezen was op basis van de ‘melding’ die zij gedaan hadden. Walter Willekens, algemeen directeur bij Hyplast: “Wij zagen die aanvraag eerder als een formaliteit. Immers: wij vroegen een verhoging van ons vermogen met 1060 kW. Met een totaal vermogen van plus minus 5.000 kW konden wij normaal gezien zonder probleem met een eenvoudige melding uitbreiden tot 2.500 kW, wat overeenkomt met 50% van het vergunde vermogen. Met onze aanvraag voor een uitbreiding van 1060 kW zaten we dus ver onder dat maximum.” De nieuwe ‘werkelijkheid’ is anders: Hyplast moet al vanaf een uitbreiding van 200 kW een nieuwe aanvraag indienen. Voor Hyplast, dat de laatste jaren net recupereert van een wat mindere periode, is dit een dramatische situatie: “Dankzij diverse inspanningen slaagden we erin een investering van 6,5 miljoen euro aan te vatten voor de bouw van een nieuwe productielijn. Ondertussen is de financiering geregeld, zijn de machines aangekocht, is de bouwvergunning verleend en zijn de uitbestedingen verstuurd aan de kandidaat-aannemers. Het is enkel nog wachten op een nieuwe milieuvergunning. Door de beslissing kwam nu de hele timing, en mogelijk zelfs het hele project in het gedrang. Uiteindelijk dienden we een nieuwe kleine wijziging in maar dan binnen de nieuwe wettelijke voorschriften. We vragen nu slechts een beperkte uitbreiding. Voor de rest van het dossier wordt dan een aanpassing voor het einde van dit jaar gemaakt. Hiermee zitten we terug op schema en kan de investering uiteindelijk gewoon verdergezet worden”, aldus Willekes.
Ook bij Umicore zit men met de handen in het haar. Zij vroegen een uitbreiding aan voor de opslag van gevaarlijke stoffen die neerkwam op 1% van hun vergunde hoeveelheid. Hoewel zij bij de vroegere wetgeving zonder probleem een uitbreiding tot 50% konden aanvragen, moeten zij nu al voor die 1% een volledig nieuwe vergunningsprocedure opstarten. Milieuverantwoorde¬lijke Ludo De Ridder: “Omdat wij hier uiteraard het fijne wilden over weten, hebben wij contact opgenomen met de provincie. Ook daar dacht men dat er iets niet klopte. Zij bevestigden ons toen al dat de Europese wetgeving eigenlijk alleen betrekking had op de IPPC-bedrijven. Dus lieten ze ons weten dat ze onze melding voorlopig zouden aanvaarden en zo doorsturen naar de afdeling milieuvergunningen in Brussel. Het hoofdbestuur van de afdeling milieuvergunningen heeft recent echter een rondschrijven gestuurd waarin de strikte toepassing van de wettekst gevraagd wordt. Antwerpen zal dit vermoedelijk niet naast zich kunnen neerleggen.”
Zoals uit voorgaande getuigenissen blijkt, zijn niet enkel de bedrijven, maar ook de gemeentes en provincies de dupe van de nieuwe wetgeving. Lemahieu: “Doordat momenteel vooral de ‘zware’ milieuvergunningsaanvraagprocedure moet gevolgd worden, verhoogt vanzelfsprekend ook de werkdruk bij de administraties. Bij elke aanvraag dient bijvoorbeeld een openbaar onderzoek te worden opgestart, dienen omwonenden te worden aangeschreven, moet er een pv opgemaakt worden van het openbaar onderzoek, … .”
Hoe kan dit nu opgelost worden? Katleen Mariën, adviseur milieu bij Voka – Vlaams Economisch Verbond: “Vlaanderen moet niet strenger zijn dan Europa en de wet dus enkel van toepassing maken voor de bedrijven waarvoor ze bedoeld is: met name de IPPC-bedrijven. Hiernaast zal het optrekken van de drempelwaarden voor de klassenindeling van bedrijven de impact van deze wijziging verkleinen. Dit moet bovendien ook het aantal vergunningsaanvragen en dus ook de administratieve rompslomp voor een groot stuk terugdringen.” Voka is ondertussen gesprekken gestart met het bevoegde kabinet om het probleem op te lossen.