In deze editie van de lokale fiscale barometer bespraken we evoluties met betrekking tot die gemeentelijke belastingen die door ondernemingen worden betaald. Hierbij werd, naar jaarlijkse gewoonte, een vergelijking gemaakt met de situatie vorig jaar.
Vermits 2006 echter ook het laatste jaar is van deze gemeentelijke regeerperiode opteerden we er ook voor om een bilan op te maken van de ganse gemeentelijke legislatuur.
Conclusies uit de barometer
In 2006 verlaagden 23 gemeenten de opcentiemen op de onroerende voorheffing. Iets meer dan 7 % dus van de Vlaamse gemeenten. Deze lastenverlagingen compenseren in veruit de meeste gevallen echter de eerder in de gemeentelijke legislatuur doorgevoerde lastenverhogingen niet. We telden ook 20 gemeenten die in vergelijking met het vorige jaar hun aanvullende personenbelasting verlaagden. Al bij al dus een vrij beperkt aantal gemeenten die ten opzichte van het vorige jaar overgingen tot lastenverlagingen. Ook het aantal gemeenten dat een eigen gemeentebelasting die exclusief weegt op ondernemingen afschafte bleef al bij beperkt, zeker als men in aanmerking neemt dat we ons in een verkiezingsjaar bevinden.
Er waren anderzijds, begrijpelijkerwijze, echter ook nauwelijks gemeentebesturen die overgingen tot een expliciete belastingverhoging. Dit leidde er toe dat de opbrengst verbonden aan de diverse belastingen, zeker in vergelijking met de voorgaande jaren, nauwelijks toenam. Op Vlaams niveau merkten we in globo een toename op van de belastingopbrengsten met 0,9 %. De opbrengst verbonden aan de aanvullende onroerende voorheffing neemt dit jaar iets sterker toe dan deze van de aanvullende personenbelasting (1,93 % versus 0,5 %). Dat laatste heeft te maken met de financiële gevolgen van de federale hervorming van de personenbelasting, die in 2006 op kruissnelheid komt. Op basis van begrotingsgegevens zou ook de opbrengst van de eigen belastingen met 1,6 % afnemen ten opzichte van het vorige jaar.
De vrij gematigde groei van de gemeentelijke belastingen in dit begrotingsjaar staat echter haaks op de tendens die we deze legislatuur opmerkten. Over de ganse legislatuur bekeken namen de gemeentebelastingen gemiddeld met ongeveer 4,6 % per jaar toe tot € 3,56 miljard in 2006. Daarmee stegen de gemeentelijke belastingen in deze periode gemiddeld meer dan een half procentpunt per jaar sneller dan de middelen waar de Vlaamse gemeenschap in deze periode kon van genieten. Met name de opbrengst verbonden aan de onroerende voorheffing (+5,3 % per jaar gemiddelde groei) was vrij uitgesproken. Het aandeel van de rechtspersonen in de opbrengst van deze belasting bleef met ongeveer 40 % vrij constant. Op legislatuurbasis bekeken steeg de aanvullende personenbelasting met gemiddeld 4,3 %. Ook de groei van de eigen belastingen bleef hier met iets meer dan 3,5 % per jaar in globo iets onder.
Deze gemiddelde jaarlijkse groeicijfers verhullen echter een vrij gedifferentieerde subregionale werkelijkheid. Een provinciale opsplitsing leert dat de groei van de belastinginkomsten vooral uitgesproken was in de provincies Limburg (+ 5,3 % per jaar) en in Vlaams-Brabant (+ 5,2 %). Daarentegen was de groei minder uitgesproken in de provincie Antwerpen (+ 3,7 % per jaar).
De laatste tijd horen we vaak dat de Vlaamse gemeenten in dergelijke financiële moeilijkheden verkeren dat zij verplicht worden de belastingen te verhogen. Een nadere analyse van de evolutie van de opcentiemen leert echter dat deze stelling niet veralgemeend mag worden. Er zijn ongeveer 60 Vlaamse gemeenten (19 % van de gemeenten) waar de opcentiemen in de OV vandaag even hoog liggen als in het begin van deze legislatuur. Deze gemeenten tonen aan dat een belastingverhoging te vermijden was.
Opvallend was ook dat relatief meer gemeenten in deze legislatuur overgingen tot een stijging van de opcentiemen inzake onroerende voorheffing dan dat ze het tarief in de aanvullende personenbelasting verhoogden. Dit blijkt ook uit de gemiddelde procentuele groei van deze respectieve tarieven. Deze tendens vonden we ook al terug in de periode 1994-2000. Te vrezen valt dat bepaalde gemeenten toch iets gemakkelijker belastingverhogingen opleggen aan niet-stemgerechtigden.
In de voorbije legislatuur zagen we ook een vrij sterke toename van enkele betrekkelijk nieuwe eigen gemeentebelastingen die wegen op ondernemingen. Daarbij denken we in de eerste plaats aan de belastingen op bedrijfsoppervlakte en ook de belasting op reclamedrukwerk. De stijgingen bij deze belastingen compenseren ruimschoots de daling van het aantal gemeenten die een belasting op tewerkgesteld personeel of op drijfkracht heffen. De opbrengst verbonden aan de belasting op drijfkracht steeg overigens nog in deze legislatuur.
Beleidsaanbevelingen
De vrij aanzienlijke stijging van de gemeentelijke fiscale druk in combinatie met de aanzienlijke proliferatie van het aantal gemeentelijke eigen belastingen leidden er - gelukkig - toe dat het lokale fiscale beleid de jongste jaren meer beleidsaandacht verkreeg. Bepaalde belastingen die wegen op ondernemingen moeten fundamenteel in vraag worden gesteld omwille van hun contraproductieve karakter. De onroerende voorheffing op materieel en outillage bijvoorbeeld is een belasting op bedrijfsuitrusting.
Ze staat haaks op het door andere overheden gevoerde beleid om de modernisering van het machinepark net weer aan te moedigen. Eenzelfde redenering geldt bijvoorbeeld ook voor de belasting op drijfkracht, een belasting die eenzijdig energie-intensieve ondernemingen treft. Meer in het algemeen stellen ondernemingen zich fundamenteel vragen bij het bestaan van louter financierende lokale belastingen waarvan de economische logica door de gemeentebesturen overigens ook niet nader wordt geduid. Belastingen op productiefactoren zoals motoren en materieel en outillage zijn vanuit welvaartseconomisch perspectief contraproductief, vermits ze rechtsreeks de investeringsbeslissing beïnvloeden. Deze lokale bedrijfsbelastingen tenslotte berokkenen de ondernemingen ook heel wat administratieve overlast, hetgeen onlangs nog werd aangetoond in een Voka-studie.
Beleidskringen hebben oren naar de klachten over de gemeentelijke bedrijfsbelastingen. Zo stelt het Vlaams regeerakkoord dat er een fiscaal pact komt met de gemeentebesturen over een bedrijfsvriendelijkere fiscaliteit waarbij ook voorstellen opgenomen worden om de gemeenten te laten evolueren naar de bestaande toestand. Ook wordt de afschaffing van een aantal kleinere belastingen in het vooruitzicht gesteld die veel administratieve rompslomp met zich meebrengen zonder dat daar een aanzienlijke financiële opbrengst tegenover staat. De Vlaamse regering heeft in haar meerjarenbegroting ook expliciet middelen voorzien voor een fiscaal pact, weze het slechts vanaf 2008 (€ 50 miljoen) en 2009 (€ 100 miljoen).
We vragen van de Vlaamse regering dat ze op korte termijn effectief een initiatief neemt in het kader van het Fiscaal Pact, waarbij louter financierende en contraproductieve bedrijfsbelastingen, zoals de belasting op motoren, de belasting op bedrijfsoppervlakte en de OV op materieel en outillage geleidelijk worden afgeschaft. De Vlaamse overheid kan zich daarbij baseren op het recent aangenomen Waalse decreet. Nog voor de gemeenteraadsverkiezingen heeft Wallonië inderdaad beslist om die specifieke provinciale en gemeentelijke bedrijfsbelastingen af te schaffen om op die manier het investeringsklimaat te verbeteren. De gemeenten worden daartoe gecompenseerd. Van een Vlaamse regering die het investeringsklimaat verbeteren beschouwt als hét motto van haar beleid hopen we dan ook dat ze ook zelf op korte termijn een dergelijk krachtig signaal zou geven.
Daarbij vragen we aan de gemeenten ook dat zij in 2007, na de gemeenteraadsverkiezingen, niet dezelfde oplossing zullen kiezen als in 2001 of in 1995 toen er vrij massaal werd overgegaan tot belastingverhogingen. Een toename van de gemeentelijke belastingen met 8 % in 2007 zou een factuur van bijna € 300 miljoen met zich meebrengen. Dat is zeker te vermijden.