Voldoende toegang tot financiering is cruciaal om de groei van ondernemingen te schragen. Zonder financiering is er geen ondernemerschap. Maar ondernemingen lijken door de financiële crisis almaar moeilijker aan vers geld te geraken.
Streng maar (voorlopig nog) rechtvaardig
Voka lanceerde daarom een Financieringsbarometer die om de zes maanden zal peilen naar de ervaringen van ondernemingen tijdens hun zoektocht naar geld. De eerste resultaten zijn nu bekend. Van kredietschaarste is vooralsnog geen sprake, maar de voorwaarden om krediet te krijgen, worden wel als strenger aangevoeld.
Ook in goede tijden luidt het wel eens dat de financiering van KMO’s een risicovolle activiteit is. Er zijn bovendien hoge dossierkosten aan verbonden. Voor KMO’s stelt zich daarbij de uitdaging om een adequate financiële rapportering voor te leggen, terwijl de vereisten daarvoor almaar complexer worden.
Sinds het najaar van 2008, toen het faillissement van de Amerikaanse zakenbank Lehman Brothers de recessie inluidde, woedt in Vlaanderen bovendien een debat over kredietverlening door banken. Die zouden volgens sommigen te terughoudend zijn bij het verstrekken van kredieten. Dat gebrek aan financiering zou de economische crisis langer kunnen laten aanslepen. Anderen verwijzen dan weer naar de terugval van de kredietaanvraag.
Klopt dat aanvoelen ook in de realiteit? We legden de vraag voor aan de Voka-leden in de eerste Voka-Financieringsbarometer. We vroegen hen allereerst terug te blikken op de voorbije zes maanden, om inzicht te bekomen in de recentste effecten van de economische crisis op hun financiële situatie. 750 ondernemingen vulden de enquête in.
problemen
Om te achterhalen in welke mate ondernemers wakker liggen van financiering, vroegen we hen met welk probleem ze het meest te kampen hebben. Voor ongeveer 12,5 procent van de ondernemers is het vinden van financiering probleem nummer één (zie grafiek 1). Dat valt dus nog relatief mee. Een gelijkaardige vraag gesteld door de Europese Commissie medio 2009 leverde voor België slechts 9 procent ondernemers op die financiering van hun onderneming als het belangrijkste probleem zagen.
Het vinden van klanten was de voorbije maanden hét belangrijkste probleem bij ongeveer een derde van de ondernemingen. Dat is te wijten aan de terugval in de vraag in de eerste jaarhelft van 2009. 18 procent van de ondervraagden noemt het gebrek aan geschoold personeel of ervaren managers als het meest prangende bedrijfsprobleem. 12,5 procent vermeldt de te hoge productiekosten als probleem nummer één. Ook de moeilijkheden die zich stellen bij het naleven van regelgeving en vergunningen is voor ongeveer 12 procent van de ondernemers het belangrijkste pijnpunt.
Het zijn vooral kleinere ondernemingen (met een jaaromzet van minder dan 2 miljoen euro) die de financieringsproblematiek als hun belangrijkste zorg zien. Het relatieve aandeel bedraagt in deze groep ongeveer 17,5 procent, tegenover toch nog 10 procent bij de ondernemingen met een omzet van meer dan 50 miljoen euro. Die laatste categorie van ondernemingen kreunt vooral onder de te hoge productiekosten. Liefst 30 procent van de grote ondernemingen aanziet dat als hun belangrijkste probleem. Ook ondernemingen jonger dan twee jaar zien de financieringsproblematiek, zoals te verwachten, eerder als hun grootste uitdaging. Ongeveer een derde in deze categorie is die mening toegedaan. Eénmanszaken (22 procent), beursgenoteerde ondernemingen (16 procent) en ondernemingen met participaties van risicokapitaalverschaffers of business angels in het aandeelhouderschap (16 procent) zagen de toegang tot financiering de voorbije zes maanden beduidend meer als knelpunt nummer één dan familiale ondernemingen (12 procent) en buitenlandse dochters (6 procent).
formules
In Vlaanderen is de banklening de meest aangewende externe financieringsvorm (zie grafiek 2). Ongeveer 46 procent van de ondervraagden maakte er de voorbije zes maanden gebruik van. Bijna 35 procent maakte gebruik van interne financiering. Iets meer dan een kwart van de ondervraagden gebruikte een kaskrediet. Leasing of factoring en leverancierskredieten werd aangewend in iets meer dan 20 procent van de gevallen. 5,5 procent van de ondervraagden wendde een overheidssubsidie of een overheidswaarborg op een banklening aan.
Liefst 44 procent van de respondenten gaf aan in de voorbije zes maanden een nieuwe banklening of een verlenging van een bestaande banklening te hebben aangevraagd (zie grafiek 3). Jongere ondernemingen deden dat iets minder dan ondernemingen ouder dan twee jaar; familiale en industriële ondernemingen iets meer dan ondernemingen met een andere eigendoms- of sectorstructuur. Het toont het belang van de bankfinanciering aan. Ter vergelijking: slechts 13 procent van de ondernemingen zocht de voorbije maanden naar andere externe financiering. Een minderheid van de ondervraagden antwoordde dat ze geen aanvraag voor een externe financieringsvorm hadden gedaan, omdat ze een weigering door de beoogde financier verwachtten. De Voka-leden hebben blijkbaar minder vrees om afgewezen te worden door de banken (3 procent diende daarom geen aanvraag in) dan door andere externe financiers (6 procent).
vraag-antwoord
Ongeveer twee derde van de bedrijven die de voorbije zes maanden een leningsaanvraag deed, bekwam die lening zonder problemen (zie grafiek 4). In 13,3 procent van de aanvragen werd het leningsbedrag gedeeltelijk toegekend. 8,3 procent van de kredietaanvragen werden door de banken geweigerd. Bij ondernemingen met een omzet van minder dan 2 miljoen euro lag dit weigeringspercentage met 15 procent beduidend hoger. In bijna 4 procent van de gevallen weigerde de kredietaanvrager zelf de hem aangeboden ontleningsvoorwaarden.
In vergelijking met de rest van de EU is de globale score vrij goed. In de EU werden medio 2009 gemiddeld slechts 55 procent van de aangevraagde kredietdossiers volledig gehonoreerd. Diezelfde Europese enquête toonde echter aan dat de Belgische ondernemingen in de eerste helft van 2009 in 74 procent van de gevallen het volledige leningsbedrag verkregen. Daarmee waren we toen koploper in Europa. Het is voor ondernemingen in de tweede helft van vorig jaar wellicht, globaal genomen, iets moeilijker geworden om het aangevraagde leningsbedrag volledig te bekomen. Maar in het algemeen kan gesteld worden dat er zeker geen sprake is van een veralgemeende kredietrantsoenering. Bijna 80 procent van de kredietaanvragers kreeg minstens een deel van de gevraagde financiering.
gebruik
De laatste lening aangegaan in de voorbije twee jaar werd in 56 procent van de gevallen aangewend om grond, gebouwen, uitrusting of voertuigen te verschaffen (zie grafiek 5). In 37 procent van de gevallen was de lening bestemd ter versterking van het werkkapitaal. In de enquête van de Europese Commissie van medio 2009 was dat in België slechts in 29 procent van de laatst aangegane leningen het geval. Voorts bestemde 5 procent van de respondenten de laatste aangegane lening voor de overname van een andere onderneming. 3 procent van de toegestane kredieten dienden ter financiering van O&O of de aankoop van intellectuele eigendommen.
verstrenging
We vroegen de ondernemingen ook hoe ze de toegang tot verschillende financieringsvormen de voorbije zes maanden evalueren. 61 procent van de ondernemingen zag de voorbije zes maanden geen wijziging in de bereidheid van banken om kredieten te verschaffen. 31 procent stelde een verslechtering vast, 7 procent een verbetering. Met betrekking tot de kredietverlening door leveranciers schatte 44 procent van de respondenten een verslechtering in. Dat toont het belang van een goed werkende kredietverzekeringsmarkt aan.
Aan diegenen die de voorbije zes maanden een lening aanvroegen, stelden we ook de vraag hoe zij de evolutie van de verschillende kredietvoorwaarden inschatten (zie grafiek 6). Het topantwoord voor de meeste kredietvoorwaarden was weliswaar “bleef onveranderd”. Inzake waarborgvereisten en extra informatievoorwaarden stelde een meerderheid van de ondervraagden wel een verstrenging vast. Bijna de helft van de respondenten zag zich ook geconfronteerd met bijkomende convenantvoorwaarden (zoals zoals de verhouding tussen vreemd en eigen vermogen); de andere helft van de kredietaanvragers zag op dat vlak geen wijziging.
De aanscherping van die kredietvoorwaarden komt niet uit de lucht gevallen en is gekoppeld aan de verhoogde risico-omgeving waar ondernemingen en banken mee geconfronteerd worden. Werken aan een vertrouwensrelatie met de financier, gebaseerd op een correcte en tijdige informatiedoorstroming, zal daarbij belangrijk zijn.
toekomst
Voor de volgende zes maanden zijn de ondernemingen ook sceptisch ten opzichte van de beschikbaarheid van de verschillende financieringsvormen (zie grafiek 7). De meeste respondenten zien de volgende zes maanden weliswaar een status quo van die toegangsvoorwaarden, met uitzondering van het leverancierskrediet. Daar verwacht 53 procent nog een verslechtering van de toegangsvoorwaarden. Het aandeel van de respondenten dat een verdere verslechtering van de toegangsvoorwaarden verwacht, ligt over de ganse lijn echter hoger dan het aandeel van diegenen die uitgaan van een verbetering.
Hoewel er in Vlaanderen thans geen sprake is van kredietschaarste, stelt zich wel de vraag of de banken, zoals in het verleden, in staat zullen zijn om toekomstige groei in dezelfde mate als voorheen te financieren. Banken moeten naar verwachting immers meer en hoogwaardiger kapitaal aanhouden. En wellicht ook meer liquiditeiten. Daartoe worden ze door de financiële markt en regulatoren gedwongen om een herhaling van de financiële crisis te voorkomen. Hoe die kapitaal- en liquiditeitsvoorwaarden ingevoerd worden, zal het debat over de kredietverlening aan ondernemingen wellicht blijven beïnvloeden.
Auteur : Karl Collaerts en Sandy Panis
Bron : Vokatribune maart 2010