filter op onderwerp

filter op regio

zoek naar:  

Nieuws

08dec
11
 5% minder energievraag tegen 2030

Tegen 2030 zal de eindvraag naar energie 5% dalen. Dat is het meest waarschijnlijke scenaro van een studie van het Planbureau. Vooral de gezinnen dragen bij tot de daling, door een betere energie-efficiëntie.

 

Op 24 november maakte het federaal Planbureau de energievooruitzichten voor België tegen 2030 bekend. De vooruitzichten zijn opgebouwd rond 4 scenario’s die gekenmerkt worden door verschillende emissietrajecten voor broeikasgassen op Europees niveau, afwijkende toepassingsmodaliteiten voor de trajecten en evoluties van hernieuwbare energiebronnen (HEB).

 

Het beschouwde scenario in dit artikel houdt rekening met een reductie van 20% van de broeikasgasemissies in 2020 ten opzichte van 1990 (volgens het EU Klimaat- en Energiepakket) en met een intermediaire reductiedoelstelling van 35% in 2030. De toepassingsmodaliteiten omvatten een Europees systeem voor emissiehandel waarbij de koolstofwaarde in de ETS en niet-ETS gelijk zijn in alle lidstaten. Er wordt ook een stijging van de koolstofprijs in de ETS en niet-ETS sectoren verwacht zodat in 2050 een BKG-reductie van 80% tov 1990 gerealiseerd zal worden. Het scenario veronderstelt ook dat de Belgische doelstellingen inzake BKG en HEB van het Klimaat- en Energiepakket behaald worden in 2020.

 

Kerncijfers

Dit scenario verwacht dat de eindvraag naar energie tegen 2030 met 5% dalen, het zal voornamelijk de residentiële sector zijn die bijdraagt aan de daling door o.a. een verhoogde energie-efficiëntie. De vraag naar elektriciteit en stoom echter worden verondersteld te stijgen met respectievelijk 21% en 193%. De elektriciteitsvraag zal jaarlijks met 0.8% toenemen terwijl de bruto-elektriciteitsproductie gemiddeld met 0.6% zal groeien. In 2020 is de elektriciteitsproductie opgebouwd volgens volgende aandelen; kernenergie 38%, HEB 25%, gas 25% en steenkool 10%. De geplande sluiting van de kerninstallaties heeft hier een aanzienlijke invloed op het productiepark en in 2030 neemt hierdoor het aandeel van HEB, gas en steenkool toe met respectievelijk 4%, 15% en 8%. Bij de HEB nemen windenergie en biomassa de grootste aandelen in (50% en 47% in 2020).

 

Tegen 2030 wordt de totale capaciteit van de elektriciteitsproductie op 23,8 GW geschat. De toename in productiecapaciteit is aanzienlijk hoger dan de stijging van de productie. Dit komt omdat er rekening wordt gehouden met de sterke groei van de intermittente HEB en de stijgende nood aan back-up capaciteit. Om de noodzakelijke capaciteit te voorzien zal er elk jaar gemiddeld 850 MW extra moeten bijkomen. De periode van 2020-2025 zal hierbij het meest kritiek zijn door het verdwijnen van 4000 MW aan kernenergie dus na 2015 moeten het investeringstempo aanzienlijk omhoog. De voorziene kost voor de geschatte bijkomende capaciteit bedraagt ongeveer 21 miljard euro.

 

Kostprijs

De gemiddelde kosten van de elektriciteitsproductie zullen tussen 2005 en 2030 met 55% stijgen en oplopen tot 100€/ MWh. Indien de kerncentrales openblijven, zal de gemiddelde productiekost dalen met 7% in 2020 en met 28% in 2030 ten opzichte van het beschouwde scenario.

 

Indien we kijken naar de BKG-emissies zal de koolstofintensiteit van de elektriciteitsproductie in 2020 tov 2005 dalen ondanks de sluiting van de drie kernreactoren als gevolg van de forse toename van de HEB. Na 2020 echter zal er weer een stijging zijn, vermits fossiele energiebronnen (aardgas en steenkool) kernenergie gaan vervangen en de ontwikkeling van HEB en CCS kunnen die stijging niet compenseren. Ten opzichte van 1990 wordt wel een daling van de totale BKG-emissies (ETS- en niet ETS-sector) van 11% in 2020 en 12% in 2030 verwacht.

 

Steenkool

De resultaten van het planbureau vormen een leidraad waar het toekomstige beleid zich op kan enten. Er dienen echter nog enkele kanttekeningen gemaakt te worden. In de vooruitzichten wordt er een sterke toename in elektriciteitsproductie via steenkoolcentrales voorzien. Het blijkt enorm moeilijk zoniet quasi onmogelijk om op dit moment een vergunning te bemachtigen voor een kolencentrale, hoewel deze noodzakelijk zijn indien er jaarlijks 850 MW bijkomende capaciteit moet worden voorzien. Er dient dus snel een duidelijk signaal te komen zodat- mits de nodige voorzieningen voor het leefmilieu en CCS - verder investeren in deze technologie mogelijk is en blijft.

 

Het financiële kaartje voor de bijkomende capaciteit (21 miljard euro) is enorm en de vraag is dan ook of er voldoende middelen zijn om deze investeringen te ondersteunen. Bovenop de bijkomende capaciteit zal er ook aandacht besteedt moeten worden aan uitbreiding en optimalisatie van het net wat de kosten nog verder zal laten toenemen. Bovendien zal het investeringsklimaat grondig moeten wijzigen om de nodige investeringen uit te lokken en voldoende zekerheid te bieden aan de investeerders.

 

Een belangrijke analyse in de energievooruitzichten is de impact van een latere uitstap uit kernenergie. Deze analyse benadrukt de voordelen van het langer openhouden van de centrales; een verhoogde bevoorradingszekerheid, een lagere CO2-uitstoot, een tot 28% lagere gemiddelde productiekost en lagere energieprijzen. Voor Voka is het dan ook belangrijk dat deze aspecten worden opgenomen in een objectief debat rond kernenergie.

 

Lees het volledig rapport

 

Auteur : Carolien Pouleyn, adviseur milieu & energie
Bron : milieu@voka 23, december 2011

terug